En de dagen lijken steeds langer. De nachten geen baken van rust en stilstaan, maar een stoptrein van momenten en zorgen.
Elke dag een pilletje bij om de cirkel te onderbreken, de onrust te verjagen of tenminste alles stil te leggen tot de volgende ochtend aanbreekt.
Maar helpen doet het niet en ‘s ochtends kijk ik niet meer in de spiegel. Bang voor die vermoeide blik en beu, oh zo beu, die sporen van een nacht vol zorgen.
Alles grijp ik aan om mijn gevoel naar buiten te krijgen. Slaan op een instrument, trekken aan een snaar. Wandelen, lopen, dansen, duwen, trekken.
Dat lijstje met gelijkenissen steeds langer. Mijn machteloosheid groter en groter. Nog steeds de hoop dat gewoon slapen alles beter gaat maken. De hoop dat het allemaal maar even zoeken is.
Daar staan we weer. Of ik weer. Ik heb een hekel aan mensen die over zichzelf praten alsof er twee of drie zijn.
Maar goed, hier sta ik weer. Op die enge plek van voorheen. Met hetzelfde vangnet, dezelfde mensen en dezelfde verwarring.
Nochtans zijn er ook dingen anders. Er zegt niemand dat ik weer ziek ben. Alleen maar moe. Heel erg moe. En daardoor vast ook heel verward.
Ja, verward. Geïrriteerd door mijn eigen twijfelen. Kwaad om de cirkel waar ik in leef. Je kan me wel vertellen dat het niet hetzelfde is. Het voelt wel zo.
Ok, niet helemaal misschien. Maar de chaos is er wel. De vragen misschien wat minder van levensbelang, maar toch.
Hier zit ik weer met dat doosje pilletjes. Dat doosje waartegen ik zo hard heb gevochten. Maanden van bijwerkingen en tergend trage stappen weg.
En ik ben kwaad. Heel kwaad. Omdat ik me heb laten verwarren en omdat ik niet zag dat ik verward werd. Maar ook dat waait weeral wel over. Ook dat verdwijnt weer wel.