Net was ik nog binnen en lag mijn haar gewoon zonder dat de wind er doorheen joeg. De regen voel ik pas nu ik de deur achter me dicht hoor vallen. Maar ik ben blij om buiten te zijn.
Verheugd dat de wind en de regen net zo razen als ik. Alsof ze mijn storm naar buiten brengen en de stad verrassen met diezelfde woede waarmee ik juist wegliep.
Mijn jas doe ik open en mijn kap vliegt af. Ik en de wind tieren, rukken aan de takken, schoppen door de bladeren en lachen om de schade.
En dan, na de eerste triomf, is het vooral de regen die mijn haar weer doet vallen en het besef dat binnendruipt.
De koppigheid trekt nog even aan me voor een laatste ronde om me heen slaan. Maar het is tijd om weer terug te keren en naar huis te gaan.