Even fronsen omdat ik de laatste dagen zo vaak mijn wenkbrauwen samentrek. Het ongeduld ligt veel te vaak op het puntje van mijn tong. De irritatie loopt me snel achterna wanneer ik even onbezorgd afdwaal. Ik ben slechtgezind.
Dus frons ik even en leg mezelf op tafel, het licht op de hoogste stand, de scalpel klaar om de oorzaak van mijn gezeur te ontleden en zo mogelijk weg te snijden. Maar ik kijk en zoek en vind niets. Er zijn geen bijzondere afwijkingen, geen acute symptomen, geen open wondes.
Ik staar naar de lucht zo grijs en vol. Meestal vind ik verlossing in de eindeloosheid boven mijn hoofd, maar vandaag zijn de wolken een fontein van kleine vlokken. Alsof ik op het bankje in een sneeuwbol zit en niet verder kan kijken dan het besneeuwde glas.
Help?
Moe zijn mijn ogen en moe ben ik.
Moe van het wachten en moe van het niet weten.
Moe van het hopen en moe van het vrezen.
Moe dus.
Twee pindanootjes dansend in de vroege morgen. Hoewel, eerder de vroege middag want de wallen staan nog getekend van de pindadans gisteren. Ik zit met hoofdpijn voor mijn scherm en probeer te bedenken waarom ik ook alweer kwaad ben. Er was een héle goede reden, dacht ik. Waarom zou ik anders nog zo nukkig rondlopen?
Ondertussen zitten lief en haar pindanootje in de zetel naar appartementen te zoeken. Wanneer het goed tussen ons gaat, zoekt ze meestal naar huisjes met een tuintje en een boompje (het hondje hebben we al). Maar vandaag zoekt ze naar appartementen.
Een diepe zucht later besluit ik mijn stilte te doorbreken. Ik kan altijd terug kwaad worden zodra ik me de reden herinner. Dan maar de voorlopige overgave en eens een kusje gaan geven. Geen reactie, wel naarstig geklik op zoek naar appartementen. Ok, dat heb ik verdiend.
Nu ik weer bij gezond verstand ben, staat het hare uit. Dit gaat nog even duren. Dus zet ik de stap achteruit en volg haar in de dans. Ik laat haar leiden tot ze mij niet meer wil laten lijden. Het ligt wat zwaar op de maag, zo’n pindadans vroeg in de morgen.